Column Jan Heres
Vlinders
Een oude vrouw zat elke dag als het mooi weer was buiten in de tuin.
In haar gemakkelijke stoel zat ze uren achtereen van een zomerse dag te genieten.
Lopen ging erg moeilijk, dat deed ze dus zo weinig mogelijk.
Soms ging ze even breien, maar het liefst zat ze gewoon rond te kijken, en genieten van de vele bloemen
Op een van die dagen, terwijl ze buiten zat, kwam een vlinder op haar schoot zitten.
Het was een pracht dier, veel felle kleuren. De oude dame liet het diertje rustig zitten, het leek op zijn gemak te zijn.
's Avonds tegen zeven uur, vloog hij weer weg. Ze had er van genoten, zoiets had ze nog nimmer meegemaakt.
De volgende dag, om ongeveer dezelfde tijd landde de vlinder weer bij haar op schoot.
Dit ging enkele dagen door. Maar het was ook weer opeens gebeurd, geen vlinder te zien.
De oude dame dacht er bijna niet meer aan, toen opeens de vlinder weer op haar schoot landde. Even later een tweede, ook een gekleurde, zoals de eerste.
Wat schetste haar verbazing toen na een week zich nog een vlinder meldde. Nu waren het er drie. Wat zou de reden kunnen zijn van hun bezoek.
Ze probeerde het te ontdekken, maar er kwam geen antwoord.
Toen na ongeveer een week er zich nog een vierde kwam bij voegen, besloot ze een boek over het leven van vlinders aan te schaffen. Misschien zou ze het antwoord kunnen vinden. Ze las en herlas het boek, maar een antwoord kreeg ze niet.
Het aantal vlinders was inmiddels aangegroeid tot elf.
Ze kwamen niet elke dag, het kon gebeuren dat er een dag of vier geen vlinder zich liet zien.
Maar als er een kwam, dan was de rest ook binnen een uur aanwezig.
De zomer liep ten einde, het weer werd steeds koeler, het was minder prettig om in de tuin te zitten.
De vlinders bleven nog steeds komen, maar ze kwamen later, en gingen vroeger weer weg.
De dame dacht er aan te stoppen met haar dagelijkse verblijf in de tuin. Ze hoopte dat de vlinders het nieuwe jaar zouden terug keren.
Het was nu haar laatste dag dat ze in de tuin zou zitten. Met weemoed had ze de beslissing genomen.
Nu moest ze de hele winter thuiszitten, zonder vinders om haar heen.
Ze kon haar tranen niet meer bedwingen, ze had echt verdriet.
Het was alsof de vlinders het begrepen, want opeens kwamen ze met tientallen tegelijk aangevlogen, en gingen op haar schoot zitten. Ze leken bijzonder tevreden.
De oude dame kreeg een zalig gevoel over haar.
Ze kon met de diertjes praten, en sloot haar ogen, hier wilde ze zo lang mogelijk van genieten.
Heel toevallig kwam de buurman bij haar in de tuin kijken. Dat deed hij misschien eens per maand. Zo ook nu. Hij trof de oude dame levensloos aan. In haar stoel gezeten, met een groot aantal vlinders op haar schoot.
Vijf dagen later werd ze begraven. Maar enkelen waren naar haar begrafenis gekomen, ze had weinig familie.
Tot ieders verbazing, kwamen een twintigtal vlinders aangevlogen. Ze gingen op de kist zitten. Het leek alsof ze gingen bidden. Na een paar minuten vlogen ze weer weg. De aanwezigen begrepen er niets van, maar waren erg geroerd.
Het is nu enkele jaren later. Nog vliegen de vlinders af en aan.
1 vlinder geniet er zo heftig van, dat ze benoemd is tot hoofdvlinder.
En dat is de oude dame.
Heres Senior
De dominee van het dorp
Hij was nog zeer jong toen hij in het dorp werd aangesteld. Hij was jong van leeftijd, maar zag er ook heel jong uit. Hij was vierentwintig werd ons gezegd, maar hij leek nog maar een broekie.
Toen hij in de gemeente werd aangesteld keek een ieder erg bedenkelijk.
Wat moest dat jochie hier doen, toch zeker niet komen om de preek des zondags te houden? Dan zouden er zeker minder kerkgangers komen. In ons dorp woonden grote sterke 'kerels', die konden drinken en vechten. Ze deden niemand kwaad, maar ongerechtigheid accepteerden ze niet.
Het was nog niet zo lang geleden, dat Femke van manke Derk ziek werd. Manke Derk moest nu de kost verdienen, en ook het huishouden doen. Daar had hij het erg druk mee, bovendien kostten de medicijnen handen vol geld.
Dat kon manke Derk onmogelijk betalen. Hij klopte bij de kerk aan, en vroeg om hulp.
De toenmalige dominee had gezegd dat manke Derk maar naar de buren moest gaan, om hulp te vragen, de kerk kon er niets aan doen.
Toen de kerels dat hoorden, zijn ze naar manke Derk gegaan, en hebben gevraagd of het waar was dat de kerk geen hulp wilde bieden. Manke Derk vertelde zijn verhaal.
De volgende dag had de dominee een blauw oog en liep moeilijk, ze hadden hem goed toegetakeld. Wat bezielde die man om hulp te weigeren, en die noemde zich dominee, nee dat namen ze niet. En zo zijn er meerdere gevallen geweest, ze namen het altijd voor de bevolking op.
En wat wilde deze nieuwe dominee hier in het dorp doen, hij moest niet proberen de dorpelingen af te vallen, dan zouden zij wel even komen kijken.
Men waarschuwde de jonge dominee, hij moest wel de regels van de kerels in acht nemen, anders kon het wel eens verkeerd aflopen.
Hij had alvast een bijnaam, 'het jongetje,' zo werd hij door een ieder genoemd.
Na enkele weken kenden ze hem bij die naam, zijn eigen naam waren ze vergeten. Hijzelf vond het niet erg, hij was er vaker mee geplaagd, zijn voorkomen was nu eenmaal zo.
Men was in het dorp van mening dat hem geen lang leven als dominee van het dorp gegund zou zijn. Maar het liep anders als men verwacht had.
De eerste zondag was de kerk afgeladen vol. Een ieder wilde wel eens horen wat deze jongen te zeggen had. Er werd een beetje smalend over gesproken.
Hij nam zich voor een oppervlakkige preek te houden. Dan kon hij de mening van de mensen enigszins peilen.
Na afloop was een ieder tevreden, van deze jongen hadden ze niets te vrezen. Hij zou doen, zoals de dorpelingen het wilden, als het nou slecht was of goed.
Het was alsof het zo zijn moest.
Er werd die zelfde week bij verschillende huizen ingebroken. Dat was het gesprek van de dag. Die schurk, of schurken, hadden alleen bij de armste van het dorp ingebroken, alsof daar wat te halen viel. Die mensen hadden toch niets bijzonders. Maar alles bij elkaar was er nog veel gestolen. Een paar konijnen, een geit, een fiets, kleding, en nog veel kleinigheden meer. Bij oude Martje had men een spaarpot meegenomen, er zat geen kapitaal in, maar zij had jaren gespaard, voor haar oude dag. Ze was erg verdrietig, ze was er gewoon ziek van.
Er werd aangifte gedaan bij de politie, en ze kwamen met twee man kijken. Het is bij kijken gebleven, ze hebben alles wel genoteerd, maar ze deden er verder niets mee.
Toen de dominee dat hoorde, is hij meteen bij alle slachtoffers langs geweest. Hij vroeg van alles, wat er weggenomen was, of de deur geforceerd was.
Of ze iets hadden gemerkt, kortom alles werd door hem gevraagd. En in alle gevallen ging hij om het huis naar braaksporen zoeken. Hij schreef alles op.
Men keek vreemd op, dat had de politie helemaal niet gedaan. Wat verbeelde het jongetje zich wel, dacht hij het wel even op te lossen? .
Maar 'het jongetje' vond meteen een aanwijzing, ondanks dat hij in het dorp vrij onbekend was.
Hij is direct op weg gegaan, en dezelfde dag, laat in de avond, is hij met alle gestolen spullen terug gekeerd in het dorp. Alles op een kar geladen, die werd getrokken door manke Derk, hij had een touw om zijn middel. Hij werd als een paard door de dominee geleid. Hij liep met gebogen hoofd.
Hij was namelijk de dief geweest. Hoe was de dominee er achter gekomen? Wel, hij had bij elke woning een spoor gevonden in het zand. Het was hem opgevallen dat de ene voetafdruk dieper in het zand was gedrukt dan de ander.
Dat kon alleen maar van manke Derk zijn.
Hij had de man een keer gezien, en hem meteen verdacht.
Manke Derk stond als zeer gevaarlijk bekend. Een ieder was bang voor hem. Hij stond altijd te zwaaien met een mes, vooral als hij gedronken had.
Zoals gezegd, een ieder was bang voor hem.
Hoe had 'het jongetje,' dit voor elkaar gekregen, vroeg iedereen in het dorp zich af. Hij wilde er niet over praten.
Hij is met manke Derk naar de politie geweest.
Daar heeft hij tot diep in de nacht met de agenten gesproken. Manke Derk heeft de agenten beloofd het nooit weer te doen. De dominee heeft een goed woordje voor hem gedaan. En in het donker keerden ze huiswaarts, manke Derk was zo mak als een lam.
'Dominee, ik doe het nooit weer, en ik kom elke zondag in de kerk, dat beloof ik.' Hij heeft zijn woord gehouden, tot zijn dood.
Nooit heeft iemand geweten hoe hij manke Derk gearresteerd heeft. Derk zelf heeft eens in een dronken bui gezegd, ik ben voor niemand bang, maar voor dat kleine kereltje, de dominee, wel.
Er was in het dorp voor altijd en eeuwig respect voor 'het jongetje.
Heres Senior
De zonderling
In het verleden hoorde men vaak verhalen, dat dieren konden praten. Vooral in de Kerstnacht.
Één verhaal is mij altijd bij gebleven, het is als volgt:
Karst Vleming was een zonderling, daar is het hele dorp het over eens.
Hij kan met dieren praten, hij is helderziende en nog meer van die duistere dingen. Ze mogen hem wel, maar ze ontwijken hem zoveel mogelijk. Ze zijn bang voor hem. De vrouwen zeggen dat ze hem een griezel vinden.
Maar daar zit Karst niet mee.
Hij lust graag een borrel, en soms zit hij een hele dag in de kroeg. Dan ziet men hem laat in de avond op weg naar zijn woning.
Een woning is het eigenlijk niet, het is eerder een hut.
Dat maakt Karst niets uit. Als het maar warm is in de winter, en droog bij regen, is hij al tevreden.
Als hij op Kerstavond naar het café gaat, voor een borrel, neemt hij zich voor de bloemetjes flink buiten te zetten.
Er zijn weinig mensen binnen, de meeste blijven thuis op Kerstavond.
Als Karst binnenkomt groet hij de aanwezigen met een korte groet.
Ieder mompelt een groet terug, niet uitbundig, want dan heb je kans dat hij bij je komt zitten. En daar hebben ze het niet op begrepen.
Hij bestelt een borrel, en nog één, en er volgen nog vele.
Tegen elf uur is hij bepaald niet nuchter meer. Dan zegt de kastelein dat hij gaat sluiten, het is Kerstavond, hij wil bij zijn gezin zijn.
Karst gaat op weg naar zijn hutje. Als hij echter buiten komt in de vrieskou, voelt hij dat hij totaal dronken is.
Hij gaat slingerend op weg naar zijn hutje.
Het gaat niet, hij wil gaan liggen, hij kan niet meer. De alcohol heeft bezit van hem genomen.
Hij is juist bij de boerderij van Willems als hij valt. Hij krabbelt op, wil zijn weg weer vervolgen, maar het gaat niet meer.
Dan besluit hij naar de stal van de boerderij te lopen, en kijken of hij daar kan gaan liggen. De staldeur blijkt ongesloten, hij kan zo naar binnen.
Het blijkt de paardenstal te zijn. De twee paarden liggen rustig in het stro. Karst besluit bij hen te gaan liggen, en een ogenblik later is hij in diepe rust.
Hij wordt wakker van de kerkklokken, het is gebruikelijk dat deze op Kerstavond om 12 uur luiden. Ook de paarden zijn wakker, ze staan op.
Dan schrikt Karst zich wezenloos.
Duidelijk hoort hij het zwarte paard zeggen, 'het wordt een slecht jaar, ik moet de baas naar het kerkhof brengen.'
Karst schrikt, hij rent de stal uit, snel op weg naar zijn hutje.
Daar komt hij tot bezinning. Zoiets heeft hij vaker gehoord dat dieren praten. Maar zo duidelijk als vanavond, nee.
Na een paar dagen denkt hij er nagenoeg niet meer aan.
Als hij dan ook na een paar weken in het dorp is, ziet hij opeens een begrafenisstoet.
Hij vraagt aan iemand. 'Wie wordt er begraven?'
'Boer Willems, hij is van de hooizolder gevallen en was op slag dood.'
Hij schrikt, en kijkt naar de stoet.
Het lijk wordt vervoerd op een boerenwagen, getrokken door het zwarte paard van boer Willems.
Heres Senior
Het achtste gebod
Willem Wijnders was een wijs man, als zodanig stond hij bekend in het dorp. Hij was gezien, iedereen mocht hem.
Hij bekleedde enkele functies in het dorp, was onder meer lid van de gereformeerde kerk, en zat bovendien in het kerkbestuur. Zoals gezegd men mocht hem graag, vooral om zijn eerlijkheid.
Hij was de kruidenier van het dorp. Had de meeste mensen uit het dorp als klant. En een ieder was zeer tevreden over hem. Als men bij hem in de winkel kwam om iets te kopen hielp hij je correct, maakte meestal een praatje. Wel vaak over het geloof. Maar niet overdreven, kort en krachtig, vond men. Het stoorde de klanten niet.
Willem was getrouwd, en had twee kinderen. Hij was een tevreden man.
De winkel was populair in het dorp, men mocht er graag kopen. Helaas liep de omzet de laatste tijd erg terug. Er was nog geen reden tot paniek, maar het moest niet veel erger worden.
De oorzaak, een grote moderne supermarkt in het naburig dorp. Het verschil was echt groot. Veel dorpelingen gingen naar het andere dorp om boodschappen te doen. Vooral op zaterdag, dan was de omzet lager als voorheen.
Heel langzaam aan begon het Willem iets te benauwen. Hier moest een eind aankomen vond hij. Maar hij kon er niets aan veranderen, hij moest maar afwachten.
Een van zijn klanten was een dame van middelbare leeftijd.
Het was geen klant die grote hoeveelheden boodschappen deed. Meestal een pakje sigaretten, en een beetje van dit en een beetje van dat. Maar Willem zei altijd 'alle kleine beetjes helpen.' En hielp 'zwarte Sien', als ware het een grote klant.
Zwarte Sien was een dorpsgek, men zei dat ze helderziend was, dat ze van de duivel bezeten was, en nog meer van die duistere dingen. Het maakte Sien niets uit wat men van haar zei, ze vond het best. Maar vrienden had ze niet
Willem behandelde haar zoals hij ieder klant behandelde.
Doordat de omzet van Willem's winkel nog meer daalde, begon hij zich nu echt zorgen te maken, het kon zo niet langer.
Hij zocht naarstig naar een oplossing, maar helaas hij wist niet hoe of wat.
Op een zondagmorgen tijdens de kerkdienst kreeg hij een ingeving. Hij moest, zoals elke zondag, collecte lopen. Dan hoorde hij hoe de 'duiten' in het zakje vielen. Wat zou hij graag een greep in de collectezak doen. Maar zijn goed fatsoen en christelijke gedachten verwierpen die gedachte meteen. Hij bleef er echter aan denken.
De nood kwam nu aan de man, de omzet daalde alsmaar. Hij besloot een greep naar het geld te doen.
En op een zondagmiddag heeft hij een greep in het zakje gedaan. Hij voelde het geld, het gaf een geweldig gevoel.Maar tevens een gevoel alsof hij de grootste zonde maakte.
Hij kwam in tweestrijd, maar verloor het redelijke verstand.
Dit herhaalde zich een enkele keren. Hij wist dat het een zware zonde was, maar zijn gezin moest ook leven, redeneerde hij.
Op een maandagmorgen, juist toen hij de winkel opende, kwam de eerste klant binnen. Het was zwarte Sien. 'Een pakje sigaretten graag, of geef er maar twee',zei ze.
Willem legde twee pakjes op de toonbank. 'Dat is vijf gulden', zei hij.
'Pak het maar van het kerkgeld wat je gestolen hebt', zei ze, en ging de winkel uit. Willem volkomen verslagen achterlatend.
Lange tijd stond hij achter de toonbank. Toen liep hij de winkel uit, stak de straat over, en sprong in het kanaal.
Er is veel gesproken over dit voorval. Niemand is ooit te weten gekomen wat er precies de oorzaak van was.
Zwarte Sien heeft eens gezegd, 'hij heeft het achtste verbod overtreden, en daar is hij door God voor gestraft.'
Heres Senior
Blonde Gre en Waggel
Ergens in Nederland, in een dicht bebost gebied, woont Blonde Gre.
Een huisje, het lijkt een plaatje, klein, maar juist groot genoeg voor een persoon, staat helemaal verscholen in het groen.
Gre woont hier al jaren, eigenlijk haar hele leven al. En ze woont hier graag.
De meeste mensen in het dorp vonden het maar vreemd, dat zo'n 'jong ding' hier wilde wonen, zo midden in een stuk rimboe, ze zouden het niet durven, voor geen geld. Het is geen groot bos, maar toch. En dan ook nog als vrouw alleen, nee, ze moeten er niet aan denken.
Maar Gre weet niet anders, zoals gezegd bijna haar hele leven heeft ze hier gewoond. Eerst in het grote huis, met haar ouders, later in kleinere deel alleen.
Na de dood van haar ouders is het grote huis gesloopt, het was bouwvallig geworden, en het zou vele tonnen kosten aan reparatie, als zijn het weer in perfecte staat zou willen hebben, Ze heeft toen besloten het te laten slopen.
Daar heeft ze nooit spijt van gehad. Het kleinere gedeelte heeft ze laten staan, daar wilde ze in blijven wonen, alleen moest ze het terdege gaan onderhouden, had de aannemer gezegd, anders zou het een kwestie van enkele jaren zijn, en zou ook dat rijp voor de sloop zijn.
Men noemde haar in het dorp Blonde Gre, om haar blonde dos lange haren.
Men vond haar ook een zonderlinge, wie wilde of durfde helemaal alleen in het bos te wonen? Maar ze heeft het toch maar gedaan, het is niet niets.
Elke morgen, zomer of winter, staat ze tegen zevenen op, gaat ontbijten en later in het tuintje werken, of gaat als het weer het niet toelaat, binnen aan het werk.
Ze geniet van het werken, ze geniet van het leven.
Op een morgen, het is in de zomer, is ze in de tuin bezig. Opeens hoort ze een vreemd geluid, ze kan het niet thuis brengen, en gaat op onderzoek uit.
Na lang zoeken vindt ze uiteindelijk waar het vandaan komt.
Het blijk een eend te zijn, het dier lijkt gewond, ze probeert hem op haar arm te nemen. Het angstige dier fladdert radeloos met zijn vleugels.
Meteen ziet Gre wat de oorzaak is, zijn pootje is gebroken, en een diepe borstwond, waardoor het dier zo gestrest is.
Ze neemt de eend mee naar het huisje, omdat in dit bos geen eenden voorkomen, neemt ze een kistje, dat voorlopig zijn huisje zal zijn.
Na ze de wond behandeld heeft, en het pootje gespalkt, zet ze het diertje in het kistje, in de schaduwzijde van een grote struik.
Ze is dagen bezig met het dier, en het lijkt dat het allemaal aanslaat. Na enkele weken loopt Waggel, ( zo is hij gaan heten ) helemaal alleen door de tuin.
Hij doet geen enkele poging te ontvluchten. In tegendeel, tegen etenstijd komt hij naar huis, laat even kwetterend horen dat hij er is, en wacht gelaten tot het eten gebracht wordt.
Het is een allerliefst dier, en verhoogt de gezelligheid.
Gre is nog met de eend naar de plaatselijke dierenarts geweest, om de wond te laten onderzoeken, en om naar het pootje te laten kijken.
Zij heeft de arts gevraagd, wat de oorzaak van de verwondingen konden zijn. De man vermoedt dat de eend is aangereden door een auto, maar weet het niet zeker, wel weet hij dat het een behoorlijke klap moet zijn geweest, en als hij niet door Gre gevonden was, het zeker niet zou hebben overleefd.
Waggel is geheel hersteld, het is een blijde vogel, die geen enkele aanstalten maakt er vandoor te gaan.
Het bevalt hem bijzonder goed bij Gre, hij heeft een eigen plaats in huis.
Een eigen voerplaats is er voor hem gemaakt, binnen, dus ook in de winter kan hij binnen blijven.
De postbode, die meestal even bij Gre binnenkomt, is er helemaal weg van.
Zoals dit dier behandeld wordt, het is heel aandoenlijk allemaal.
We zij drie winters verder, het leven van Gre en Waggel wordt door velen gezien als een teken van dierenliefde, en dat is mogelijk, maar Gre vertelt er meteen bij, dat zij ontzettend veel liefde van Waggel krijgt. Het is bijna menselijk wat de eend doet.
Als op een druilerige morgen de postbode bij het huisje van Gre aankomt, ziet hij meteen dat er iets niet klopt.
De gordijnen zijn nog gesloten.
Hij besluit naar binnen te kijken om te zien wat er aan de hand is.
Eerst ziet hij niets, maar dan ineens, Gre ligt op de vloer, heeft er waarschijnlijk de gehele nacht zo gelegen, gezien haar houding.
Op haar lichaam ligt Waggel. De postbode slaat alarm, binnen enkele ogenblikken later is er hulp ter plaatse.
De ambulante arts stelt de dood vast. Zowel bij Gre als bij Waggel.
Koolmonoxide vergiftiging schijnt de doodsoorzaak te zijn.
's Avonds werd het kil in het kleine kamertje, Gre besloot het kolenkacheltje even aan te steken, zij voelde zich niet helemaal wel.
Zij heeft waarschijnlijk niets meer gemerkt. Waggel wel, hij heeft een geur geroken die dodelijk kon zijn. Hij heeft met alle macht geprobeerd Gre te laten ontwaken, het is hem niet gelukt. Hij is op haar borst gestorven.
Samen liggen ze begraven op het kerkhof van het dorp.
Op de steen staat geschreven;
'Hier liggen Gre en Waggel, zij rusten in vrede.'
Heres Senior
Een donderslag bij heldere hemel
Teun de stroper, was op weg naar zijn hutje.
Het regende al de hele morgen en het had geen zin om door te gaan met het stropen, want de meeste dieren bleven in hun hol, daar was het lekker droog.
Teun was nat geworden, hij verlangde naar zijn hutje, daar was het tenminste droog en warm.
Plotseling zag hij een witte gedaante, wat het precies was kon hij niet zien. Toen hij dichterbij kwam zag hij een persoon in witte kleding. Het had iets geheimzinnigs, dacht Teun, hij kon het niet thuisbrengen. Het maakte hem een beetje bang, zoiets had hij nog nimmer gezien.
Toen hij de gedaante genaderd was, groette hij Teun vriendelijk.
'Goedemorgen mijn vriend, hoe gaat het met u ?', werd hem gevraagd.
'Met mij is het goed, maar waarom vraagt u dat, u weet niet wie ik ben.'
'Jawel mijn vriend, ik ken u heel goed.'
'Wie bent u dan?', vroeg Teun.
'Ik ben God', was het antwoord.
Teun lachte, 'als u God bent, ben ik Pilatus,' zei hij.
Teun ging zitten op een oude boomstam. De man kwam bij hem zitten. Er ging een warmte van de man uit, een aangename warmte. Teun voelde zich volkomen veilig en behaaglijk, ondanks de regen en de kilte.
'Als u God werkelijk bent, laat dan de regen eens stoppen, want dat verveelt mij.'
De man hief zijn hand naar boven, en na enkele seconden stopte de regen.
'Gelooft u mij nu?' vroeg de man.
'Om eerlijk te wezen, nee, het kan ook toevallig opgehouden zijn te regenen.' zei Teun, maar hij voelde dat er wel iets aan zat te komen.
'Als jij werkelijk God bent, laat de zon dan eens schijnen, maar dat kun je zeker niet', zei Teun enigszins cynisch.
En daar was de zon, eerst een beetje waterig, maar al snel een stralende zon.
Nu was Teun er van overtuigd dat hij God was. Maar hij liet nog niets blijken.
'Dan kun je mij ook wel wat hazen en patrijzen toveren, dan heb ik weer iets te stropen', zei Teun.
'Nee dat doe ik niet, dat is zonde, dieren zijn ook levende wezens, net zo goed als jij en ik.'
'Wat anders mag je nu kiezen, je krijgt nog een kans.'
'Dan maar een paar nieuwe schoenen, want deze zijn totaal versleten.'
Teun was amper uitgesproken, toen hij iets aan zijn voeten voelde en warempel tot zijn verbazing zag hij dat hij nieuwe schoenen had.
'Geloof je het nu?' vroeg God.
Teun stamelde zoiets van vergeef mij.
'Ik moet nu gaan,' zei God, 'maar ik moet je zeggen dat jij een prima mens bent.
Aan een ieder die ik vraag, wat hij zou willen hebben, noemen kapitale dingen. Dingen die heel veel geld waard zijn. Jij vraagt om een paar schoenen.
En dat kan ik werkelijk waarderen.'
'Ik ga nu terug naar de hemel, wij zien elkaar weer, het ga je goed.'
Een verblindend licht deed Teun pijn aan de ogen.
God ging heel statig omhoog, de hemel tegemoet.
Teun keek hem na.
'Nog bedankt voor de mooie schoenen God,' riep hij.
Een donderslag klonk boven zijn hoofd.
Het was een donderslag bij een heldere hemel.
Heres Senior
Verantwoord?
Nederlandse wetenschappers hebben een technische hoogstand ontwikkeld. Deze uitvinding is door middel van een raket de ruimte ingebracht. Daar zullen o.a. de sterren worden bekeken, uit welke materie ze zijn ontstaan, en veel meer onderzoeken in de ruimte.
Op zichzelf is dit een geweldige uitvinding, waar Nederland met recht trots op mag en kan zijn. Echter de schaduw kant van deze uitvinding zijn wel de torenhoge kosten. Ik weet het niet precies, maar het zijn vele miljoenen euro's.
Ik vraag me af, is dit menselijk gesproken wel verantwoord ?
Wij hebben de zaken aangaande een leefbare wereld nog lang niet op orde. Denk alleen maar aan de arme mensen die dag in dag uit honger lijden, die niet over schoon en verantwoorde drinkwater kunnen beschikken. Wat juist bijzonder belangrijk voor de mens is, vooral voor de kinderen. Ook op geneeskundig gebied moet er nog veel gebeuren in vele landen. En zo kan ik de lijst nog langer maken.
Kunnen wij dit verantwoorden naar de Schepper toe?
Niet alleen in Holland, maar ook in vele andere landen, met name Amerika. Daar worden ontelbare miljarden gelanceerd, om het werk van de Schepper te onderzoeken.
Ik denk dat dit uit de humane hoek niet toegelaten mag worden. Niet zolang er nog duizenden mensen sterven van de honger e.d.
Onlangs publiceerde de Telegraaf deze foto, genomen in de ruimte.
Hierop is een afbeelding van een hand te zien, die als hetware een stopteken geeft.
Zou dit een symbolisch teken van de Schepper kunnen zijn?
Stop met deze onzin, richt u eerst maar op aardse prioriteiten.
Heres Senior